In 1672, het jaar dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op zijn grondvesten zou schudden, schilderde Apollo van Rijn een van zijn meest raadselachtige werken: De Doos van Pandora.
Centraal staat Pandora, de eerste vrouw uit de Griekse mythologie. Ze heeft zojuist het deksel van de kostbare kist gelicht. Uit de duisternis ontsnappen de rampen die de mensheid zullen treffen. Ziekte, oorlog, verdriet en ellende lijken zich als donkere schaduwen over de wereld te verspreiden.
Boven haar speelt zich een tweede verhaal af. De goden kijken toe. Zeus zit hoog in de hemel met zijn bliksem in de hand, terwijl Athena, Apollo en andere goddelijke figuren het tafereel aanschouwen. Tussen de dreigende wolken breekt een fel licht door. Alsof er, ondanks alles wat Pandora heeft ontketend, nog iets overblijft.
Hoop.
Juist dat contrast maakt het schilderij zo bijzonder. De wereld beneden wordt overspoeld door chaos, terwijl boven de goden zwijgend toekijken. De bliksem, de donkere wolken en het bijna bovennatuurlijke licht geven het schilderij een onheilspellende sfeer.
Wie weet wat Apollo van Rijn werkelijk bedoelde toen hij dit werk in 1672 schilderde. Was het slechts een voorstelling van een eeuwenoude Griekse mythe? Of zag hij in Pandora iets van zijn eigen tijd?
Het Rampjaar zou laten zien hoe snel een ogenschijnlijk machtige samenleving in onzekerheid en chaos kon veranderen.
Misschien was Apollo zich daar maar al te goed van bewust.
En misschien was zijn schilderij daarom niet alleen een afbeelding van het verleden, maar ook een waarschuwing voor de toekomst.
Klik voor het verhaal over De Legende van Apollo van Rijn